Wonen in een camper, caravan of op een camping: taboe of deeloplossing?
Nederland heeft een groot tekort aan betaalbare woningen. Daardoor kunnen mensen tussen wal en schip vallen. Denk aan starters, alleenstaanden, mensen na een scheiding, mensen met een laag inkomen of inwoners die tijdelijk geen passende woonruimte kunnen vinden.
Natuurlijk blijft gewone woningbouw noodzakelijk. Maar de vraag is of we daarnaast niet ook naar andere, kleinschalige woonvormen moeten kijken.
Een geschikte camper, caravan of plek op een camping kan voor sommige mensen een tijdelijke of semipermanente oplossing zijn. Niet voor iedereen. Niet overal. En zeker niet zonder regels.
Maar misschien wel: ja, mits.
Geen vrijplaats en geen wildgroei
Wie over wonen in een camper of caravan begint, krijgt al snel het beeld van oude caravans, rommelige terreinen en mensen die zomaar ergens gaan staan. Dat is nadrukkelijk niet wat hiermee wordt bedoeld.
Het gaat niet om:
- oude caravans in bermen;
- wonen op gewone parkeerplaatsen;
- recreatieve tweede verblijven;
- onderverhuur;
- opslag van rommel;
- onveilige situaties;
- permanente campingbewoning zonder toezicht.
Het gaat juist om het tegenovergestelde: aangewezen locaties met duidelijke voorwaarden.
Een mogelijke deeloplossing voor lokale woningnood
Mobiel wonen zou vooral bedoeld kunnen zijn voor mensen die al in een gemeente wonen of aantoonbare lokale binding hebben. Daarmee voorkom je dat een regeling verandert in een algemene landelijke opvangplek of goedkope recreatievoorziening.
Denk aan inwoners die:
- na een scheiding dringend woonruimte nodig hebben;
- wachten op een sociale huurwoning;
- tijdelijk geen passende woning kunnen vinden;
- mantelzorg verlenen of ontvangen;
- vanwege werk, zorg of sociaal netwerk aan een gemeente verbonden zijn;
- bewust klein en betaalbaar willen wonen.
Het doel is dus niet recreatie, maar een beperkte woonoplossing voor mensen die anders moeilijk ergens terechtkunnen.
Alleen geschikt als het echt bewoonbaar is
Niet iedere camper of caravan is geschikt om in te wonen. Een matras in een busje of een oude lekkende caravan is geen serieuze woonoplossing.
Daarom zou een camper of caravan alleen in aanmerking moeten komen als die veilig, hygiënisch en geschikt is voor langdurig verblijf.
Denk aan eisen zoals:
- een deugdelijke slaapplaats;
- kookgelegenheid;
- toiletvoorziening;
- wasgelegenheid;
- verwarming;
- ventilatie;
- veilige elektrische installatie;
- veilige gasinstallatie, als die aanwezig is;
- drinkwatervoorziening;
- opvang of afvoer van vuilwater;
- rookmelder;
- koolmonoxidemelder;
- brandblusser;
- verzekering;
- goede technische staat;
- geen vocht- of schimmelproblemen.
Bij campers kan ook worden gekeken naar de APK, voor zover die van toepassing is. Bij caravans moet extra worden gekeken naar stabiliteit, veilige plaatsing en aansluiting op voorzieningen.
Geschiktheidskeuring voor mobiel wonen
Om misbruik en onveilige situaties te voorkomen, zou een geschiktheidskeuring voor mobiel wonen kunnen worden ingevoerd.
Daarbij wordt vooraf beoordeeld of een camper, caravan of andere mobiele woonunit daadwerkelijk geschikt is om langdurig in te wonen. Zo’n keuring beschermt niet alleen de gemeente en de omgeving, maar vooral ook de bewoner.
Mobiel wonen mag geen verkapte noodopvang worden in onveilige of mensonwaardige omstandigheden.
Aangewezen locaties
Mobiel wonen moet niet zomaar overal kunnen. Het ligt voor de hand om te werken met aangewezen locaties.
Dat kunnen bijvoorbeeld zijn:
- een kleinschalige wooncamperplaats;
- een tijdelijke standplaats;
- een terrein met bestaande nutsvoorzieningen;
- een afgebakend deel van een camping;
- een gemeentelijke flexwoonlocatie;
- een tijdelijk beschikbaar terrein.
Op zulke locaties kunnen regels gelden voor brandveiligheid, afvalinzameling, water, afvalwater, bereikbaarheid voor hulpdiensten, toezicht en maximale bezetting.
Daarmee wordt het geen rommelige vrijplaats, maar een gereguleerde woonvorm.
Wonen op een camping
Ook wonen op een camping verdient serieuze aandacht. Campings hebben vaak al voorzieningen zoals water, elektra, sanitair, afvalinzameling, beheer en toezicht. Daardoor kan een afgebakend deel van een camping mogelijk sneller geschikt zijn voor tijdelijk of semipermanent wonen dan een compleet nieuwe locatie.
Dat betekent niet dat iedere camping een woonwijk moet worden. Maar waarom zou een gemeente niet onderzoeken of bepaalde locaties onder strikte voorwaarden kunnen helpen bij lokale woningnood?
Juist door het goed te regelen voorkom je schimmige situaties en willekeur.
Meer dan 180 dagen en feitelijk hoofdverblijf
Om duidelijk onderscheid te maken tussen wonen en recreatie, kan als voorwaarde gelden dat de camper, caravan of woonunit meer dan 180 dagen per kalenderjaar aanwezig en feitelijk bewoond wordt.
Daarmee wordt voorkomen dat de regeling wordt gebruikt voor vakantie, tweede verblijf of goedkope opslag.
Het uitgangspunt zou kunnen zijn:
Wie gebruikmaakt van zo’n woonplek, woont daar ook echt.
Bij bijzondere omstandigheden, zoals ziekenhuisopname of tijdelijke mantelzorg elders, moet maatwerk mogelijk blijven.
Woonadres waar mogelijk
Als iemand feitelijk woont op een aangewezen camperplaats, caravanplaats of campingplaats, moet de administratieve inschrijving ook goed worden geregeld.
Het uitgangspunt zou moeten zijn: woonadres waar mogelijk, briefadres alleen als vangnet.
Wie werkelijk op zo’n aangewezen plek woont, moet niet administratief tussen wal en schip vallen. Inschrijving op het feitelijke woonadres zorgt voor duidelijkheid bij gemeente, zorgverzekering, belastingen, uitkeringen, hulpverlening en officiële post.
Waarom onderzoeken?
Mobiel wonen lost de woningnood niet op. Maar het kan wel een praktische deeloplossing zijn voor een beperkte groep inwoners.
Een kleinschalige pilot kan helpen om ervaring op te doen. Bijvoorbeeld met een beperkt aantal plekken, duidelijke voorwaarden en een evaluatie na één of twee jaar.
Zo kan een gemeente onderzoeken wat werkt, wat niet werkt en welke regels nodig zijn.
Mogelijke voorwaarden op een rij
Een regeling voor mobiel wonen zou bijvoorbeeld kunnen uitgaan van:
- alleen voor inwoners van de gemeente of mensen met aantoonbare lokale binding;
- alleen op aangewezen locaties;
- feitelijk hoofdverblijf;
- meer dan 180 dagen per jaar aanwezig en bewoond;
- geen recreatief tweede verblijf;
- geen onderverhuur;
- geen opslag of bedrijfsactiviteit;
- geschiktheidskeuring van camper of caravan;
- eisen aan toilet, kookgelegenheid, verwarming, ventilatie, water en afvalwater;
- eisen aan brandveiligheid;
- toezicht en periodieke controle;
- BRP-inschrijving op het feitelijke woonadres waar mogelijk;
- beëindiging bij overlast, misbruik of onveiligheid.
Tijd om het taboe te doorbreken?
De woningnood vraagt om bouwen, maar ook om praktische oplossingen. Niet alles hoeft groots, ingewikkeld of permanent te zijn.
Soms kan een kleine, goed geregelde woonplek al voorkomen dat iemand dakloos raakt, in een dure noodoplossing terechtkomt of noodgedwongen uit zijn eigen gemeente moet vertrekken.
Daarom zouden gemeenten kunnen onderzoeken of kleinschalig mobiel wonen onder strikte voorwaarden mogelijk is.
Niet als vrijplaats.
Niet als campingwildgroei.
Niet als recreatief tweede verblijf.
Maar als een beperkte, menselijke en betaalbare woonoplossing voor inwoners met lokale binding.

