Langer parkeren dan 3 dagen (APV)

Langer parkeren dan 3 dagen (APV)

Gemeenteraden hebben op grond van artikel 149 van de Gemeentewet verordende bevoegdheden en gebruiken deze bevoegdheid vaak om het langer parkeren van campers te verbieden. Bij het vaststellen van de artikelen in de verordeningen moeten de volgende afwegingen gemaakt worden:

  • Voldoet het verbod aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (de inbreuk nooit groter te zijn dan noodzakelijk is voor het beoogde doel en er moet voor de minst schadelijke oplossing gekozen worden)
  • Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene Wet bestuursrecht).
  • Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
  • Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. (dus ook de belangen van de kampeerautobezitter).
  • De voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (art.3:4 AWB).
  • Beperkingen moeten noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
  • Rekening houden met bestaande jurisprudentie.

We hebben nu het in veel APV’s voorkomende artikel 5.6 bekeken. De bevoegdheid om tot dergelijke artikelen vast te stellen is naast de Gemeentewet, weergegeven in de Wegenverkeerswet.

Artikel 2a Wegenverkeerswet.

“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen”.

De regels m.b.t. parkeren zijn geregeld in, bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet is de gemeente niet bevoegd zaken te regelen die reeds door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening worden geregeld. De wegenverkeerswet zegt in artikel 2a dat: “provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen”. De gemeente heeft dan ook geen verordende bevoegdheid waar het het parkeren van kampeerauto’s betreft. Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens leent zich bij uitstek om parkeren te regelen. Naar onze mening zijn de betreffende regels op grond van artikel 122 Gemeentewet dan ook van rechtswege vervallen.

Afdeling 1 Parkeerexessen

Artikel 2a WvW geeft de Gemeenteraad de bevoegd bij parkeerexcessen bepalingen vast te stellen. Een exces is iets dat  het aanvaardbare overschrijdt, dit moet dus afgewogen worden alvorens de Gemeenteraad  een verbod instelt. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen dat op alle door de gemeenten aangewezen wegen sprake is van een parkeerexces.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn – zo lijkt de zienswijze van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven – in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88 m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel.

Het volledig verbannen van campers binnen de bebouwde kom en zeker op parkeerplaatsen, bestemd om te parkeren lijkt in strijd met deze uitspraak van de Hoge Raad.

APV Artikel 5:6 Kampeermiddelen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
  2. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;
  3. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
  5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Landschapsverordening Zeeland 2001.
  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Opmerkingen m.b.t. artikel 5.6 APV.

Lid 1 aanhef

  • Het verbod betreft uitsluitend voertuigen tijdens hun gebruik voor recreatieve of  andere niet-verkeersdoeleinden. Immers er staat in het betreffende artikel: “Het is verboden een voertuig dat voor recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd” waarna de opsomming van verboden volgt. Parkeren heeft geen enkel recreatiedoel en valt derhalve niet onder de geldende bepaling. (zie ook Raad van State. 6-6-2014 zaaknummer 201403418/1/A3 en 201403418/2/A3) De gemeenten verwijzen voor de definitie van parkeren naar het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, waar staat : ” parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen”.
  • Van een regelgevende overheid mag daarnaast verwacht worden dat zij waar nodig differentiatie aanbrengt in de regelgeving. In tegenstelling tot een caravan kan de kampeerauto ook (zelfs primair) voor dagelijks gebruik (woon-werkverkeer) benut worden. Dat kan niet met caravans en differentiatie binnen de regelgeving is dan ook gerechtvaardigd.

Lid 1 onder a

  • Er wordt verwezen naar de definities van de APV verwezen naar het Reglement verkeersregels en verkeerstekens waar staat: “parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen”. In dit APV artikel vinden we dan ineens “op de weg plaatsen of te houden”.  Is de definitie parkeren dan niet en de definitie weg wel van toepassing? (Hoezo verwarrend).
  • Veel gemeenten hebben alle wegen binnen de bebouwde kom aangewezen.  Dit is disproportioneel, er zijn veel plaatsen binnen de bebouwde kom waar wel kampeerauto’s geparkeerd kunnen worden. In dit kader is ook van belang de uitspraak van de Rechtbank Utrecht LJN AA3583 SBR 00/1938 d.d.12-12-2000 over het aanwijzen van alle bebouwde kommen binnen de gemeente buitensporig is omdat niet overal onvoldoende parkeerruimte binnen de bebouwde kommen is.
  • De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het college van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5, eerste lid, onder b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie die geen “weg” is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in de zin van de WVW en valt daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de APV-bepaling. ABRS 18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.

Lid 1 onder b

Schadelijk voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Je kunt je afvragen of daarmee zo’n aanwijsbesluit wel een voldoende feitelijke grondslag heeft. Of een camper het mooie uitzicht schaadt is een kwestie van smaak. Fabrikanten geven veel geld uit om een mooi ontwerp te maken, dus hoezo lelijk??. Daarnaast ontstaat door de betreffende regelgeving rechtsongelijkheid. Door het niet gedefinieerde begrip “schadelijk voor het aanzien” waarbij een bestelbusje wel overal mag staan en eenzelfde busje ingericht als kampeermiddel niet.  Hiermee lijkt de regelgeving in strijd met de algemene rechtsbeginselen.

 

Welke mag er wel langer staan en welke niet?

 

 

 

 

 

Uitspraak Nationale Ombudsman.

  • Nergens is een goede aanduiding waar niet geparkeerd mag worden. Voor vrachtauto’s en bussen staan vaak nog borden bij binnenkomst van de gemeente. Borden met kampeerauto’s ontbreken. Overigens is de vraag of een dergelijke aanduiding voldoende zou zijn. De Nationale Ombudsman schreef: “Een burger moet er van op aan kunnen dat als de overheid voorschriften vaststelt, deze helder zijn en goed uitvoerbaar. In de dagelijkse maatschappelijke praktijk heeft een burger regelmatig te maken met diverse overheidsinstanties. Het gaat dan niet alleen om landelijk werkende instanties, maar ook om regionale en lokale instellingen, ieder met eigen regels voor vaak nauw verwante onderwerpen”.(Rapport 2012/189).
Share